ARCHIEF

Jaar:


Kunstenaar:
Voornaam:
Achternaam:

27 mei 2011 - 27 mei 2011

Ruimte: Zaal

KUNSTENAARS
THEO KUIJPERS
(Helmond, Nederland, 1939)

Theo Kuijpers

DE HEMEL VAN HELMOND

Door: Jef de Jager
Ook al woonde Theo Kuijpers (1939) vanaf zijn tweede levensjaar in Mierlo, hij bleef voor iedereen een Helmonder, want als zodanig was hij ter aarde gekomen. En aan geboortegrond zit een mens vast. Voor Theo gold dit al helemaal. Zijn vader werkte aanvankelijk voor de Boerenbond in Helmond en woonde met zijn gezin aan de Geremtseweg, inmiddels opgelost in een industrieterrein.
In Mierlo begon hij, ofschoon meer levenskunstenaar dan boer, een gemengd bedrijf: - hard sappelen voor een karige boterham. Theo concludeerde al vroeg dat hij niet in zijn vaders voetsporen zou treden. Wel behield hij de liefde voor het land, voor het besloten Brabantse land: akkers met ploegvoren, weidevelden, bomenhagen, simpele versieringen op luiken en deuren – geen uitzinnige wolkenpartijen en verre horizonten maar land in rust, als het ware zonder het geploeter van zijn vader.

De vrijheid kwam op het kleinseminarie, waar hij over Van Gogh en Gauguin las. Aanvankelijk nog werkend op de fotoafdeling van de Vlisco doorliep hij de Academie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven; zijn latere galeriehouder Lambert Tegenbosch was er docent. Nadien volgde een militaire diensttijd in Suriname. Hij ontdekte de vrije natuur en probeerde die in de gangbare Cobra-stijl te vatten, maar geen Cobra-schilder was ooit zo vormvast. Een boerenzoon als hij zocht naar orde, naar compositie.
Terwijl hij handenarbeid gaf op een school in Bladel ging hij andere experimenten aan: pop art, assemblages. Blijvend was alleen de invloed van materieschilders, die verf mengden met zand, as en gruis, waarmee hij zijn gevoel voor ambacht kwijt kon. Voor zijn assemblages gebruikte hij trouwens al Brabants bouwafval en varkensblazen.

Een ontmoeting met Jean Leering van het Van Abbemuseum bracht hem ertoe zijn inspiratie definitief uit zijn herkomst te putten. Als schilder werd hij de boer die hij niet geworden was. Maar een schilder kan ook reizen. Hij trok maanden door Marokko, Australië, Amerika, Italië en Frankrijk en speurde er naar wat boeren hadden uitgericht. Zijn doeken werden akkers. Zelfs als hij huizen schilderde, legde hij die plat neer. Verhelderend moet zijn ontmoeting met de Australische Aboriginals zijn geweest. Zij kennen niet het idee van landbezit, want het is omgekeerd: het land bezit mensen. Zo moet hij dat in zijn hart ook hebben ervaren.

Zijn nieuwe werk bracht erkenning, tot aan solotentoonstellingen in het Frans Hals en het Singer toe. Vanaf 1977 raakte hij verbonden aan de Katholieke Leergangen in Tilburg en de Koninklijke Academie in Den Bosch. En hij werd uitgenodigd toe te treden tot de IJmuider Kring, onder bezielde leiding van de dichter Bert Schierbeek. Die kring was bewust opgericht om buiten de artistieke centra te opereren, maar Theo vond haar eigenlijk al te centraal. Als landrot bezat hij bovendien weinig affiniteit met de open zee, en hij keerde terug naar de coulissen van Brabant.

Waarom schildert een schilder nooit mensen en dieren, alleen de sporen die zij in het landschap achterlaten? Ook al heeft Theo tot zijn vijftigste gedoceerd, zelfs in naakttekenen, hij kan dat niet uitleggen. En toch is hij een man van het woord, wiens Eindhovense atelier evenveel boeken telt als penselen en verfpotten. Zodra het echter over zijn schilderijen gaat blijft hij de boer die zwijgend voort ploegt. Taal is ook te frivool. Een Helmonder zal onmiddellijk zijn mopperzucht herkennen, als aanzet tot gezamenlijke lol. Kunstvolk betitelt hij als ‘verrekkelingen’. Over zijn galeriehouder Lambert Tegenbosch zegt hij: ‘We kunnen het goed vinden samen, we hebben altijd ruzie.’ En over zijn betreurde collega Leon Adriaans meldt hij: ‘Hij was niet aardig, maar dat ben ik ook niet; daarom hadden we het gezellig met elkaar’. Theo is er bovendien zeker van dat wanneer hij de trein neemt, er binnen vijf meter niemand in zijn buurt komt zitten.

En dus: schilderen. Waar ook ter wereld: de verlaten boerderij van zijn vader. Bert Schierbeek dichtte over hem: hand aan de ploeg slaan/ een gat in de lucht/ ruik je bloemen en stront//komt terug en verwijdert/ zich de horizon vult vore/ na vore de ogen en// openen zich vergezichten/ vallen de coulissen om/ in de hand van de smid// die het hoefijzer smeedt/ en roodgloeiend slaat/ in de hoef van het snuivende paard

Ga terug naar het overzicht