ARCHIEF

Jaar:


Kunstenaar:
Voornaam:
Achternaam:

08 jul 2001 - 15 jul 2001

Ruimte: Gastatelier

KUNSTENAARS
CEES GUNSING
(Dieren, Nederland, 1951)

Cees Gunsing

‘Verzorgd Van Wieg Tot Graf’:

Van 8 juli t/m 15 juli is in het gastatelier van DE nederlandsche CACAOFABRIEK de afsluitende presentatie te zien van de werkperiode van Cees Gunsing (Dieren 1951), die leven en werken tot een eenheid weet te voegen, toont met zijn installatie een nieuw beeld waarin natuurafdrukken en conserveringsmethoden een rol van betekenis spelen. Het conserveren van meestal kleine dieren (zoals vogels en mollen); dat proces met het laboratorium als centrale plaats in de installatie, bestaande uit wades met grondafdrukken en aardsappen, werktafels met logen en looiwaters en wellicht tafelende gasten: "Het kan zijn dat het geheel wordt afgesloten met een maaltijd in de installatie, maar ik wil graag Helmond afstruinen op zoek naar dode dieren en voor mij interessante bewijzen van leven die latere paleontologen kunnen vertellen over het leven in 2001."



Is het de geilheid van God, of is het mijn verlangen naar eenwording met de schepping, die mij mijn beelden laat maken?

De verwondering over de schepping, de verschrikking over het vermoede, van oogverblindende schoonheid die ik nooit kan doorgronden, niet in volle glorie kan aanschouwen, omdat mijn menselijke vermogens niet toereikend zijn. Perceptiefilters weerhouden mij. Is dat de reden dat er gestamelde eringstafels en relictkasten door mij ontstaan?

Voortkomend uit de verering die ik voel voor de onvoorwaarlijke eenheid, de voor mij niet te doorgronden creatie, die al voor de oerknal moet zijn gestart, een volledigheid waar ik en wij allen een minuscuul onderdeel van zijn. De aarde is niets meer dan een flakkering in het heftige oogverblindende licht dat alles overstijgt. Is het verering of verwondering, voor dat kunstwerk van de goden, die mijn bestaan zin geeft?

Ik wil paren met de schepping, in haar opgenomen worden, dat is een o zo diepe wens in mij, de volledigheid van leven en gelijktijdig het geheel in mij opnemen, er een mee zijn. Het zoeken naar haar, mijn geliefde, in de krochten van de natuurlijke natuur, in de concreetheid van het leven, over de grens van het vertrouwde bestaan heen. Het reiken achter de oorsprong van zijn, voorbij het begin van energie. In de zoete schoot van waaruit het leven ontstaat daar wil ik zijn met eerbewijs van mijn trillend leven. Ik ben zo wijd, kom in mij, dan kom ik in jou mijn liefste, dan gaan we dansen in en op de landoceanen onder, boven en voorbij de menselijke rede. Wat voor land dat dan ook zal zijn. We laten ons vervoeren door het leven, het bestaan dat eeuwig ook zonder ons zal blijven. We laven ons dan in de pre-spuiing van de bron.

Hoe is het leven ontstaan, waardoor is alles, het vervoert mij. Ik ben er stil van, het kan mij bij en in de waanzin brengen, mij in de subjectieve geest los van de aarde in de waanzin laten zwemmen. In het verlangen naar de concrete waarheid die voor ons mensen niet zichtbaar is, ben ik verschrikt van de schepping en kan haar dan primitief en met ontzag in al haar pracht liefhebben. Dan kan er in de vloeiing van zicht gebouwd worden. Over de grens van het leven kunnen er antwoorden zijn, maar ik moet en wil ze hier in mijn aardse bestaan vinden. Beperkt door mijn zintuigen, de observatie, kom ik tot een verschrikte verwondering. De onvoorstelbare grootheid van het geheel kan ik alleen vermoeden, in ogenblikken van inzicht zie ik er fragmenten van, hoe die verstaan tot het geheel dat is niet aan mij. Mijn menselijke potentie vertelt mij dat de schepping aan haarzelf toebehoort. Ik mag in haar wandelen, in haar leven, in haar opgenomen van en met haar leven. Zij is niemands eigendom, als ik haar wil benoemen beperk ik haar, dan plaats ik haar in mijn menselijke maat, maar kan het anders. Met vrijheid wil ik haar liefhebben.

Cees Gunsing
’s-Hertogenbosch
23-05-2001

Ga terug naar het overzicht